CORONA-GETUIGENIS: Beschouwing door een huisarts : waardig sterven

Over onze specialist: 

Deze open brief werd ons aangeleverd door Helena Maryns, coördinerend raadgevend arts (CRA) bij woonzorgcentrum Zuiderlicht (Stad Gent). Ze schreef een open brief naar alle woonzorgcentra.

Deze open brief gaat over het fantastische werk dat het zorgpersoneel levert in de woonzorgcentra, zeker nu, en over hun onderschatte rol bij ‘waardig sterven’. We nemen deze graag integraal over.

Het thema ‘sterven’ bespreekt niemand graag, maar het Corona-verhaal drukt iedereen met de neus op de feiten.

Sterven hoort bij het leven en de huisarts is dé persoon bij uitstek om de laatste levensfase helder en grondig te bespreken met elke patiënt. Als huisarts beloof je, zonder zoveel woorden, aan de patiënt en zijn of haar familie dat je er zal zijn tijdens de terminale fase. Dat je alles zal inzetten om steun te geven, diensten in te schakelen en steeds helder en transparant elke stap in het stervensproces door te spreken.

Dit is een engagement dat veel tijd, maar vooral ook moed vraagt van mij, als huisarts. Durf ik de uitdaging aangaan en hierover in gesprek gaan? Vandaag zien we hoe schrijnend het is dat vele oude mensen sterven op intensieve zorgen.

Hadden wij, huisartsen, dit niet kunnen voorkomen? Ik moet toegeven, dat ik ook oudere en chronisch zieke patiënten heb, met wie ik dringend een gesprek ‘einde levensfase’ moet plannen. Misschien moeten we de mensen pro-actief uitnodigen voor zo’n gesprek, op een moment dat het nog niet aan de orde is?

Het is uiteraard onze taak om te focussen op het leven, maar we kunnen veel ellende voorkomen door de dood als een gegeven te integreren. Wanneer de dood dan dichtbij komt, is de verleiding kleiner om therapeutisch hardnekkig te zijn en de patiënt ‘er nog door te halen’ en kan er vrede gevonden worden in een comfortbehandeling met het advies om nú aanwezig te zijn en te berusten.

De WZC’s krijgen momenteel veel commentaar te verduren. Het is echter hun verdienste dat de meeste bewoners en hun familie een dergelijk gesprek hebben gekregen: er is duidelijkheid ontstaan rond de gewenste zorg bij ‘einde levensfase’. Hun werk is goud waard.

 

Op de dag van de lockdown bezocht ik in het rusthuis mijn oudste patiënte, 94 jaar en zeer zorgbehoevend. Ik ben een ‘praatjes’- huisarts, dus we deden een praatje. Ik vroeg hoe het met haar ging.

‘Ik wil naar huis’, zei ze zacht met haar iele stem.

‘Welk huis?’ vroeg ik. ‘Je huis-huis? Of thuis waar je man, reeds twee van je kinderen, je ouders, zussen en zoveel anderen op je wachten?’

Ze richtte zich op, haar blik plots helder en ze zei ernstig: ‘Dokter, ja, dát huis. Maar weet jij wel hoe moeilijk het is om te sterven? Ik wacht al zolang.’

Ze zakte weer wat weg en keek naar haar dochter.

‘Mama, van ons mag je gaan, hoor.’

‘Hoor je dat?’ zei ik. ‘Voor je kinderen is het oké, die doen het allemaal goed, die taak heb je volbracht, je mag loslaten.’

Ze zuchtte.

De dag nadien werd ik opgebeld: of ik dringend kon komen, mevrouw was niet goed. Pas drie uur later kon ik me vrij maken. Toen ik binnenkwam, vond ik de kinderen rond haar bed. Ze was naar huis. Vredig lag ze opgebaard, omringd door haar geliefden. Ik groette haar en wenste haar het allerbeste toe.

Haar kinderen vertelden dat ze na haar koffie had gezegd dat ze zich niet zo goed voelde en in bed wilde. Daar was haar ademhaling zwakker geworden, soms weggevallen, dan weer zwakjes doorgegaan en uiteindelijk helemaal stilgevallen met een laatste zucht.

Enkele dagen geleden zag ik toevallig een van haar dochters. Deze vertelde me hoe blij ze allen waren dat hun moeder nog net vóór de eenzame dood die nu iedereen ondergaat, is ingeslapen. ‘Alsof ze het wist.’

 

Ik hou van woonzorgcentra, ze zijn bijzonder. Ze vormen een unieke woongemeenschap waar gezorgd wordt voor de kwetsbare ouderen. Niemand spreekt het uit, maar iedereen weet dat dit ‘het laatste station’ is (met uitzondering van kortverblijven).

Soms verlangt een bewoner naar huis, maar is het huis allang verkocht. Als iemand weet weg te lopen wordt er altijd gezocht in de omgeving van de vroegere woonplek. Voor de meesten echter wordt het WZC hun nieuwe thuis.

Uit bevraging weten we dat op de vraag ‘Waar wil je sterven?’ bijna alle mensen ‘thuis’ antwoorden. Thuis en liefst omringd door familie. En dat is nu het mooie van een WZC! Het is een woongemeenschap, een soort nieuwe ‘familie’ waar ook het personeel deel van uitmaakt. Zij verzorgen de oudere, kwetsbare mensen tot op het einde en zijn zeer betrokken en verbonden met hen. Velen betreuren het wanneer een bewoner alsnog naar het zie-
kenhuis wordt gebracht. Ze zijn kundig en beseffen dat die meestal niet meer terug zal komen.

Familie en/of artsen zijn vaak nog niet bereid om los te laten. We zouden beter ons oor meer te luisteren leggen bij het verzorgend personeel. Zij kennen de bewoners goed, hebben een sterke band met hen en respecteren hun wensen. Zij zijn de eigenlijke professionelen en zijn gericht op waardig sterven.

Wij huisartsen hebben daarin de laatste jaren een grote mindshift moeten maken: van ‘therapeutische hardnekkigheid’ naar ‘waardig sterven’, naar meer en meer proberen te handelen vanuit dát belang, zodat mensen ‘thuis’ kunnen sterven, omringd door de gemeenschap waarin ze leven.

Voor de rouwverwerking van de familie en verzorgens is het zeer belangrijk dat ze de stervende kunnen omringen, na het overlijden de gestorvene kunnen afleggen en tijd krijgen om afscheid te nemen.

Helena Maryns - Huisarts